De tandarts

Jaren geleden ging ik met Tom naar de tandarts, voor controle. Hij was een jaar of 4. Het was geen succes. Veel gegil, in de houdgreep, een dappere poging van de tandarts om iets te ontdekken, met een angstig, overstuur jongetje en 4 zwetende volwassenen tot gevolg.

4 jaar lang wachtten we. Intussen gingen we zelf met onze dochter naar de tandartscontrole. Het voelde raar. Alsof Tom het niet waard was, een gezond gebit. Maar hoe? En wat? We zagen er vreselijk tegenop.

Uiteindelijk, na tips van andere ‘ouders van …’ belde ik onze eigen tandarts en legde de situatie uit. Zomaar doorverwijzen –en naar wie?- kon niet, we moesten echt eerst met Tom langskomen. Een paar maanden geleden gingen we, met z’n tweeën. Op een tijdstip dat we zeker weten niet hoefden te wachten en het verder rustig was konden we inderdaad meteen doorlopen. Nou ja, Tom in de buggy, want lopend zou ik hem waarschijnlijk niet mee naar binnen krijgen, en nog minder goed binnen kunnen houden.

Ik heb hem voorbereid, verteld dat er “een mevrouw naar zijn tanden ging kijken”, maar het is zo moeilijk om tot hem door te dringen. En ook moeilijk om te weten waar je goed aan doet.

Het ging redelijk, tot het moment dat de tandarts in Toms mond wilde kijken. Duwen, schoppen, gillen. Het was meteen duidelijk, dit ging niet lukken. We kregen een doorverwijzing voor het UMC in Utrecht. Vragenlijsten. Een uitnodiging voor een consult op de afdeling Bijzondere Tandheelkunde.

Vanmiddag was het zover.
Vanmorgen belde ik nog even met de polikliniek. Toch nog maar een beetje voorbereiden.
“Vanmiddag kom ik met mijn zoon, en … dat zou nog wel eens heftig kunnen zijn.”
Uitgelegd hoe hij is, en dat hij in zulke situaties, doordat hij angstig is en het niet begrijpt, zich stevig kan verweren.
En toen kreeg ik geheel onverwacht de vraag: “Woont uw zoon nog thuis?”

Waarom vragen mensen dat?
Ik vraag toch ook niet als ik op kraambezoek ga: “En, hoelang denk je dat je dit kind bij je laat wonen?”

Ineens was het een beetje teveel. Ik ‘schoot vol’, zogezegd. De mevrouw aan de telefoon was erg vriendelijk.
Na mijn “Sorry hoor, we slapen niet zoveel,” perste ik er nog hees uit: “En ja, mijn kind van 8 woont nog thuis.”
Ze beloofde ze dat ze ontzettend hun best gingen doen dat we niet (lang) zouden hoeven wachten. En ik kreeg te horen dat hij sowieso niet meteen onder narcose zou gaan.

Tom rijdt graag auto. De lift vanuit de parkeergarage vond hij ook wel leuk. Dan nog een lift in het ziekenhuis zelf, het ging bijna op een feestelijk uitje lijken.
10 minuten liepen we rondjes met de buggy rondom een open ruimte vol wachtende mensen.
“Blijf maar zitten Tom.”
“Straks gaan we even naar de tandarts, die kijkt in je mond en dan gaan we weer met de lift!”
“Twee keer met de lift!” riep Tom, de kanjer.
We werden opgehaald door een verpleegkundige/assistente. Ik herkende haar naam van ‘s ochtends aan de telefoon.
“Ah, jij was het van dat gezellige telefoongesprek!” riep ik, joviaal van de zenuwen.
“Ja, dat klopt!” lachte ze.

We mochten mee naar de verste behandelkamer. “Een rustig hoekje.”
Tom ging schichtiger uit zijn ogen kijken. Mijn man en ik glimlachten ontspannen naar elkaar en naar hem. Ofwel, we deden goede pogingen.

Het moment dat we de behandelkamer binnenstapten ging Tom los. Hard huilen, gillen, wegdraaien. Het fijne aan de buggy is dat hij daar in wil blijven zitten omdat het hem nog een enigszins veilig gevoel geeft, zodat hij niet wegrent.

De tandarts wilde eerst graag even in Toms mond kijken. Vruchteloos, dat wisten alle aanwezigen. En dát maakt me nu weer boos en verdrietig. Waarom niet meteen concluderen wat duidelijk was? Waarom Tom en ons en henzelf dit aandoen?

Tom in de houdgreep, een borsteltje in zijn mond. Het was amper een minuut, maar ik zag de eerste bloeduitstortinkjes van het gillen op zijn wangen verschijnen. De tandarts stopte haar poging. Mijn man ging met Tom, die vreselijk overstuur was de kamer uit. Daar kon hij hem kalmeren, wat drinken geven, knuffelen en zeggen dat het klaar was.

Intussen voerde ik een gesprekje met de tandarts en de assistente. Ze waren geschokt. Zo extreem, dat hadden ze nog nooit meegemaakt. Veel vragen kreeg ik. Hoe het thuis ging, of we nog meer kinderen hadden, “Oooh, nog een meisje ook”. En toen ik ook maar even vertelde van zijn nachtelijke gedrag staarden ze me samen aan.
“Maar, je ziet er zo energiek uit!” zei de tandarts.
“De adrenaline,” glimlachte ik.
Toen heb ik verteld dat wat zij zojuist zagen inderdaad extreem was. Ook voor mijn man en mij. En dat onze zoon een hele lieve, zachtaardige jongen is. Dat hij ons dagelijks aan het lachen maakt. En we genieten van alle kleine stappen die hij maakt.

We zijn doorgestuurd naar het Wilhelmina Kinderziekenhuis. Waarom dat niet direct had gekund, is me nog steeds niet duidelijk. Er waren momenten dat ik alleen een mond zag bewegen met allemaal wit licht eromheen.
Wel weet ik dat we eerst nog een keer apart met Tom naar de anesthesist moeten. Daarna zouden we eigenlijk nog een keer apart naar de tandarts in het WKZ moeten, maar dat zou misschien overgeslagen kunnen worden.
Vervolgens gaan ze Tom onder narcose brengen. Daar mogen wij bij zijn. Zijn gebit wordt dan gecontroleerd, als er gaatjes zijn worden ze gevuld, en wat verder nodig is wordt gedaan.

“Het is niet niks,” zei de tandarts.
“Dit zijn de patiënten waar ik nog aan denk als ik ’s avonds naar huis rijd.”

 

Lees hier het vervolg: De anesthesist en Narcose

 

Advertenties

5 thoughts on “De tandarts

  1. Heel herkenbaar, “normaliter” komen dit soort kindjes maandelijks alleen maar om in de stoel te zitten en zo. Jonathan krijgt iedereen keer zo’n klein mondspiegeltje mee als hij is geweest om “thuis” te oefenen met in de mond kijken.

    Fijn dat ze hem preventief al voor controle onder narcose doen in het WKZ, normaliter doen ze het alleen bij pijnklachten, i.v.m. de hoeveelheid narcoses.

    De vraag of hij thuis woont is normaal hoor. Gemiddeld gaan deze kindjes met 7 jaar het huis uit, precies de leeftijd als ons zoontje. Je zult de vraag wel vaker gaan krijgen. Wij zaten op een gegeven ogenblik bij een arts in een kamertje en kregen zoveel klappen van ons zoontje die eruit wilde dat de arts vroeg of dit normaal was. Wij keken heel verbaast naar hem, ja dit is normaal bijten, krabben, slaan en iedere nacht het bed uit voor een epileptisch insult.

    Die arts greep bij ons in, 32 zorgverleners om ons heen en toch kregen we het niet meer voor elkaar. Hoe lief ons kindje ook is zien we nu de vooruitgang die hij boekt in een professionele op hem ingerichte omgeving en constante benadering die je thuis niet kunt bieden. Later, na een jaar kwam er wat rust in ons lichaam en beseften we pas hoe veel we over onze grenzen heen zijn gegaan, uit pure liefde overigens!

    Zoals jij schrijft de vraag raar te vinden dat mensen vragen of hij nog thuis woont is het voor mij moeilijk te lezen dat deze kindjes ook nog thuis wonen…

    Waar zit het verschil? Draagkracht? De mensen om je heen die helpen? De inrichting van de zorg om je heen? Het kind? De School?

    Ik troost me met de gedachte dat het beter dan ooit met hem gaat…

    Ik ben blij dat Tom nog thuis kan wonen, dat jullie als gezin het volhouden. Mocht de dag komen dat het niet meer lukt hoop ik niet dat je een faal gevoel hebt, want dat mag nooit zo zijn!

  2. Esther, je verhaal met tranen gelezen. Zo herkenbaar. Onze zoon gaat ook naar een speciale tandarts en gaat onder narcose voor behandeling. Iets anders is op het moment niet mogelijk. Alhoewel kijken mag nu.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s