“Au pijn!”

Het is dinsdagochtend. De juf van Tom belt op: “Je moet niet schrikken hoor.”
Aan die mogelijkheid had ik nog niet gedacht, maar meteen voel ik mijn hartslag omhoog schieten en een vage misselijkheid opkomen. Op mijn netvlies verschijnt Tom, gewond, met veel bloed.
Gelukkig blijkt het minder dramatisch. Tom is gevallen met de gym, heeft veel pijn, blijft maar huilen en kan bijna niet lopen. Hij heeft een zeer hoge pijngrens, dus dit wil wel iets zeggen.
Ik race naar zijn school, die gelukkig in de buurt is.
Het is ontroerend hoe blij hij is om me te zien. Als ik de klas uit loop om de buggy te halen, die ik even op de gang had laten staat, gilt hij.

Thuisgekomen twijfel ik. Tom kan op zijn zere voet staan, heel kort en kermend, maar het gaat. Ik zie niets geks, zijn enkel is een klein beetje opgezet. Naar de huisarts voor controle lijkt een goed idee, maar die wachtkamer… en stel dat we foto’s moeten laten maken… stel dat hij in het gips moet…
Met het Risperdal-verhaal nog vers in mijn geheugen overweeg ik de negeerstand. Dan hoor ik Tom “ooooh au pijn” roepen, en ik pak de telefoon.

Tussen 11:00 en 14:00 is de huisarts alleen bereikbaar voor spoedgevallen of levensbedreigende situaties. Alleen dán mag je op de 1 drukken.
Het is 11:30. Ik adem diep in en druk op de 1. Binnen een seconde hoor ik de assistente. Ah, dit werkt dus.
Ik geef meteen aan dat er geen sprake is van een levensbedreigende situatie en vertel het verhaal. We mogen direct langskomen.

Na veel gedoe en gejammer heb ik Tom weer in de buggy, want we kunnen niet voor de deur parkeren en hem dragen is te zwaar. Met alleen aan zijn goede voet een schoen, open ik de deur. Maar dan gilt Tom in paniek: “Schoen!”
Ik schuif zijn schoen zo voorzichtig mogelijk over de pijnlijke voet. Met één schoen aan de deur uit, dat kan zijn autistische brein niet aan.

Als we aankomen bij de huisartsenpraktijk begint Tom te huilen. Als ik parkeer begint hij nog harder te huilen en te gillen.
“Tom, jij gaat even in de buggy,” levert nog meer volume en een octaaf hoger op. Mensen kijken naar de auto. En dan zijn we er nog niet eens uit.

Als hij uiteindelijk zit en we richting de deur van de praktijk gaan, gilt Tom oorverdovend. Als een wild dier in nood probeert hij met zijn armen te voorkomen dat ik de buggy door de schuifdeuren naar binnen rijd.
Ik krijg iets raars nonchalants over me heen, alsof ik van een afstandje kijk. Heb het gevoel dat ik mensen moet geruststellen. “Dit klopt hoor. Zo doet hij. Hij is verder echt heel leuk hoor.”
We mogen meteen doorlopen. Assistentes houden deuren open, en daar is de huisarts. Ik krijg de buggy met Tom de onderzoekkamer in. Ik zak door mijn knieën naast hem.

De huisarts lijkt onder de indruk van deze bijzondere patiënt. Na wat praten en kijken is het advies om een paar dagen af te wachten. Een breuk lijkt niet heel waarschijnlijk, aangezien Tom wel even op het been kan staan. Hij moet zijn been zo min mogelijk belasten, en als de pijn twee dagen later niet verminderd is zullen er foto’s gemaakt moeten worden. “Met een roesje.” Dat is duidelijk. Over gips praten we nog maar niet.

Opgelucht verlaten Tom en ik de onderzoekkamer. De huisarts loopt mee, meldt nog vol empathie dat we altijd voor alles bij hem terecht kunnen. Het doet me goed.
Ik zeg nog snel: “Fijn toch hè, dat we een buggy hebben! Wie heeft dat nou voor een kind van 7?” Ik meen het echt.
De huisarts lacht. “Dat is nog eens positief bekeken!”

Thuis vertroetel ik Tom. Op de bank met kussens, lakens, knuffels. Een filmpje, een waterijsje. Als het ijsje op is en ik even niet oplet, is Tom al moeizaam naar de keuken gestrompeld. Tja. Dat stokje hoort in de prullenbak. Pijn of niet.

“Tom beetje ziek?” vraagt hij. De schat.
“Nee, maar je voet doet pijn hè?”
Hij wijst naar zijn voet, zegt “au pijn”.
Na 5 minuten wijst hij naar de tuin. “Trampoline!”
Het is prachtig weer.
Omdat ik weet dat Tom ver over zijn – toch al hoge – pijngrens heen gaat, moet ik hem beschermen. Trampoline springen past niet echt bij “zo min mogelijk belasten”.
Ik kan het hem niet duidelijk maken en probeer afleiding te bieden.
We maken nog maar een ommetje met de buggy.

Als we thuis aankomen zien we twee megagrote – goed herkenbare – dozen vol luiers voor Tom voor de deur staan. Bezorgd door de apotheek. Tom reageert enthousiast en roept: “Mooie doos!”
Blij met zijn vrolijkheid denk ik bíjna: “Wat fijn dat hij niet zindelijk is, en we elk drie weken twee van die grote dozen hebben om mee te spelen!”
Maar een mens moet niet overdrijven.

DSC_1053
PS: We zijn een paar dagen verder. Tom loopt alweer een stuk beter en is vandaag weer naar school.

Advertenties

4 thoughts on ““Au pijn!”

  1. Zo moeilijk voor je kind te accepteren dat hij dingen even niet kan doen. Dat valt ook niet te snappen. Ik moest de voordeur op slot draaien om te voorkomen dat een van mijn kinderen met ruim 40 graden koorts toch maar besloot naar school te gaan. Hoezo ziek?

    Hihi… die luiers… ja mooie grote dozen. Ik liep er altijd mee van de apotheek naar huis en dan zag je mensen kijken… Gelukkig zijn die na 13 jaar niet meer nodig.

    Ik wens Tom beterschap en hoop dat de pijn heel snel verdwijnt.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s