Het ziekenhuis

Zoals elke ochtend spuit ik 0,5 ml Risperdal in de beker sap van Tom.
Het verschil met andere ochtenden is, dat ik dit keer het flesje op het aanrecht laat staan. De dop er niet goed op.
Als Tom klaar is met ontbijten mag hij van tafel. Ik ben blij dat hij weer ontspannen is, na een moeilijk, onrustig uurtje vanmorgen.
We tafelen nog wat na.
Tom loopt de keuken in, en dat is nooit de bedoeling, dus ik roep hem terug. Ik hoor hem hoesten, en vervolgens “vies!” roepen. Dan zie ik het. Het open flesje, Toms gezichtsuitdrukking, vieze spetters. Er roffelt iets in me.

De bijsluiter zegt: ‘Bij vermoeden van overdosering direct een arts waarschuwen’.
Ik kijk naar Tom. Hij gaat net lekker zitten bouwen. Er gaat veel door me heen. Ik doe wat ik vind dat ik moet doen.

Het advies van de huisartsenpost – na overleg met het RIVM – is duidelijk: langskomen.
Een kwartier later zijn we onderweg met de auto. Met z’n vieren. Rianne vindt het wel gezellig. Ik heb haar snel uitgelegd waarom en hoe. In vijfjarigentaal. De buren waren er niet, zo snel oppas regelen lukte niet, en ze wilde eigenlijk ook wel graag mee.

We proberen het zonder buggy.
“Kijk Tom, we gaan hier naar binnen.”
Liggen, gillen.
Manlief tilt hem op, ik haal snel toch maar de buggy.
We zijn – gelukkig! – meteen aan de beurt.
Tom is bang, klampt zich vast aan de buggy, verstopt zich onder de klep van zijn pet.
De onbekende, vriendelijke huisarts vraagt aan Tom hoe hij heet. Logisch. Ik weet nooit of ik dan meteen antwoord moet geven, maar Rianne zegt: “Tom.”
Tom moet onderzocht worden. Hartslag, bloeddruk, pupilreflex…
Hij verzet zich hevig. Mijn man houdt hem vast. Met bonzend hart zeg ik zo rustig mogelijk tegen Tom dat het “bijna klaar” is en knipoog ik naar Rianne.

De belangrijkste conclusie is dat zijn hartslag erg snel gaat. Wat te begrijpen is. Verder onderzoek lukt niet.
Tom rukt zich los en gespt zich vast in de buggy.
Dezelfde vragen. Nee, ik heb niet gezien wat hij precies deed. Ik heb geen idee hoeveel hij binnen heeft gekregen. Misschien wel niets.
Wat doen we hier? Wat doe ik Tom aan? En mijn man, en Rianne?
De huisarts denkt na.
Rianne babbelt: “Ik moest eergisteren naar de huisarts. Hij heeft naar m’n longen geluisterd.”
De arts glimlacht.
Ze overlegt telefonisch met de kinderarts.
“Nee, de moeder weet niet zeker of, hoe, wat…”
“Deze jongen is eigenlijk niet te onderzoeken… Verzet zich zeer hevig…”
– Dit gaat over mijn kind. –

Ze durven het niet aan om ons naar huis te sturen.
De eventuele verschijnselen na een overdosis Risperdal ontstaan vanaf 1 à 2 uur na inname. Spasmen, krampen, epilepsie, bewustzijnsverlies, …
We moeten naar de kinderafdeling.
We wachten lang.
Tom wil weg. Het is intensief. We vallen op, met ons luidruchtige, over de gang dweilende kind.
Het duurt zó lang. Bijna anderhalf uur.

Mijn man verricht topsport door Tom in de buurt van de wachtruimte te houden. Van bewustzijnsverlies is gelukkig geen sprake…
Rianne is vrolijk en vermaakt zich prima. Dit is bovendien geen situatie om moeilijk te doen over een snoepje meer of minder.

Na overleg met een apotheker en de kinderpsychiater en nog een kinderarts krijgen we de mededeling dat we moeten blijven.
De arts snapt heel goed dat de standaard onderzoekjes bij Tom niet gaan lukken, maar “wil hem wel graag een paar uur aan de monitor hebben”.
Ik voel paniek en een hysterische lachkriebel. In mijn ooghoeken zie ik mijn uitgeputte man die probeert te zorgen dat Tom niet het trappenhuis in verdwijnt.
“Dan zult u hem onder narcose moeten brengen.” Ik klink een beetje hees.
Ik leg uit dat het niet zal gaan. Dat een pleister op een wondje al niet lukt bij Tom. Dat een tandartscontrole niet gaat zonder narcose. Dat dit écht niet kan. Ze geloven me, zeggen het te begrijpen.

Tom en ik krijgen een kamer aan het eind van de gang. Hij hoeft niet aan de monitor. Als er over 4 uur niets aan de hand is mogen we naar huis.
Tom huilt. Hij wil dit rare gedoe allemaal niet. Hij begrijpt het niet.
Een lieve verpleegkundige vraagt hoe ze kan helpen.
Mijn man en ik kijken elkaar aan. “Lego,” zeggen we tegelijk.
Dat hebben ze. Een kist vol.
We blijven samen achter, Tom en ik. Bij vlagen jammert hij, wil hij weg, speelt hij even met Lego, wil hij zijn jas aantrekken, liggen we samen op bed, kijkt hij even ‘Hopla’ op mijn telefoon. Manlief brengt luiers en koekjes. De verpleegkundige zet een kan limonade neer.
Behalve dat hij een spierwit bekkie heeft zie ik niks bijzonders aan Tom. De onrust, het niet-begrijpen, het mij aanklampen, het is voor hem logisch in zo’n onbekende situatie. Ik probeer zoveel mogelijk rust uit te stralen. Ben zo blij met mijn smartphone vol meelevendheid.

Soms liggen we even rustig, samen. Ik fluister in zijn oor dat we nog even moeten wachten, maar dat het goed komt. En dat ik voortaan beter zal opletten. Hij trekt met zijn vinger een lijn, rondom mijn gezicht. Gaat dan weer terug naar zijn Lego.

Pas als ik heel, heel nodig naar de wc moet en maar niemand zie, ook niet op de gang, druk ik op de rode knop. Al snel komt er een verpleegkundige binnen. -Ik ben ineens een beetje jaloers op haar, raar is dat.- Ze past even op Tom. Ik zeg tegen hem dat ik zó terug ben.
Ik hoor hem gillen als ik naar de wc ren. Als ik terugren klinkt het gegil nog harder en zieliger. Ook uit andere kamers klinkt nu gehuil. Baby’s.
Tom springt huilend in mijn armen. Ondanks alles is het fijn dat hij me zo nodig heeft.

Om 15:00 mogen we naar huis. Ze durven ons te laten gaan. Met de instructie meteen te bellen als er iets aan de hand is met Tom.

Als ik met Tom in de buggy het ziekenhuis uitloop – frisse lucht – komen mijn man en Rianne ons tegemoet. De reactie van Tom is geweldig. “Heeeee! Hallo!!!”

Thuis doen we lekker rustig aan. Met Tom gaat het prima.
’s Avonds eten we pannenkoeken. Als we aan tafel gaan ziet Rianne meteen dat zij de blauwe beker heeft en Tom de roze.
“Maham, kijk nou!”
“Ach, dat geeft toch niet, er zit bij allebei water in.”
Dan kijkt Rianne me met glimmende ogen aan, grinnikt even en zegt:”Er zit toch geen Risperdal in?”
Ik steek m’n tong naar haar uit en kus haar dan. Recht op haar lieve neusje.

ZKH

Advertenties

7 thoughts on “Het ziekenhuis

  1. Doodeng! Ik weet nog dat het broertje van Ties met wit besmeurde lippen en de pillendoos van Ties aan kwam zetten. Het bleek tandpasta te zijn, en het doosje had hij niet opgen gekregen. Maar die paniek! Hoop dat je een rustige nacht hebt x

  2. Pingback: “Au pijn!” | ESTHERVANDAAG

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s